Op 1 juli 2026 deed de Raad van State twee belangrijke uitspraken in asielzaken. De hoogste bestuursrechter oordeelde dat drie asielgezinnen met kinderen in Nederland mogen blijven, maar bevestigde ook de afwijzing van asielaanvragen van vier Syrische mannen vanwege kindhuwelijken.

In de eerste zaak kregen twee Nigeriaanse gezinnen en een Armeens gezin gelijk in hun beroep tegen een besluit uit 2019 van een voorganger van asielminister Bart van den Brink. De Raad van State oordeelde dat zij een verblijfsvergunning moeten krijgen omdat het in het belang van de kinderen is om hier te blijven. Vijf van de kinderen zijn in Nederland geboren en twee wonen hier sinds 2014. De gezinnen beriepen zich op het kinderpardon uit 2019 en stelden dat zij een privéleven hebben opgebouwd. De Raad vond dat de minister de belangen van de kinderen zwaarder had moeten laten meewegen.

In de tweede zaak bevestigde de Raad het besluit van minister Van den Brink uit 2024 om vier Syrische mannen geen asiel te geven. De mannen trouwden tussen 2010 en 2022 met meisjes van 12 tot 14 jaar, terwijl zij zelf 22 tot 27 jaar oud waren. De huwelijken werden gesloten in Syrië en Turkije, en de mannen hadden seksuele relaties met de minderjarigen. De minister kwalificeerde dit als een ernstig niet-politiek misdrijf. De mannen voerden aan dat dergelijke huwelijken in delen van het Midden-Oosten zijn toegestaan, maar de Raad steunde de minister in zijn oordeel.