Op 27 augustus 2026 diende in de rechtbank van Groningen de eerste zitting in de zaak van de zware mishandeling van een zesjarig meisje uit Stadskanaal. De moeder, Liza van A., en haar beste vriendin, Sharona B., stonden voor de rechter en wezen daarbij vooral naar elkaar als verantwoordelijke voor het geweld.

Het meisje werd in april 2026 in het ziekenhuis opgenomen, na maanden van mishandeling. Eerder, in februari, was ze kortstondig in een kunstmatige coma gebracht vanwege de ernst van haar verwondingen. Verdere details over de aard van het misbruik zijn niet openbaar gemaakt, maar de zaak heeft veel beroering gewekt.

In het ziekenhuis vroeg het kind herhaaldelijk aan begeleiders:

„Wil jij mijn mama zijn?”
Die vraag wordt als indringend omschreven, zeker nu steeds meer bekend wordt over wat het meisje heeft moeten doorstaan door toedoen van haar moeder en diens goede vriendin.

De zitting wordt gezien als een eerste stap in het onderzoek naar hoe dit heeft kunnen gebeuren. Wanneer de rechtbank uitspraak doet, is nog niet bekend.